Project 2018 PDF Afdrukken E-mailadres

WEIHNACHTSORATORIUM BWV 248
Johann Sebastiaan Bach

 

Johann Sebastiaan Bach werd in Eisenach geboren. Na de dood van zijn vader werd hij door zijn oom Johann Christoph in Ohrdruf opgevoed, daarna op de Michaelisschool te Lüneburg. Hier maakte hij kennis met o.m. de oude Nederlandse polyfonie en de Italiaanse muziek, beluisterde Reinken op het orgel van Hamburg en was korte tijd violist en hoforganist te Weimar. In 1703 werd hij organist te Arnstadt, en ondernam in 1705 een voetreis naar Lübeck om daar de beroemde Buxtehude te horen spelen. In 1707 werd hij organist aan de St. Blasius te Mühlhausen, trouwde zijn nicht Maria Barbara Bach. Het volgende jaar werd hij concertmeester aan de hofkapel van Weimar, waar vele van zijn mooiste werken ontstonden en hij met de stadsorganist Walther bevriend raakte. In september reisde hij naar Dresden voor een wedstrijd op het orgel met de Franse organist Marchand, die niet doorging doordat de laatste verstek liet gaan. Om zijn concert- en improvisatiespel op het orgel en op het clavecymbel genoot Bach de grootste bewondering en ook als orgelbouwer werd hij bekend.
Omdat vorst Leopold von Anhalt-Köthen hem benoemde tot hofcomponist, terwijl zijn hertog hem niet wilde laten gaan, werd Bach wegens contractbreuk vier weken gevangen gezet. In Köthen werkte hij alleen in de hofkapel, omdat zijn diensten in de (gereformeerde) liturgie niet gewenst werden. In 1720 reisde Bach weer eens naar Hamburg, waar hij voor de 100-jarige Reinken improviseerde, die daarover zeer verheugd was. “Ik dacht dat deze kunst was uitgestorven, maar in u leeft ze nog”, zei hij tot de jonge meester. Nadat in 1720 zijn eerste vrouw was gestorven, trouwde Bach het jaar daarop met Anna Magdalena Wülken, dochter van een hoftrompettist uit Weissenfels, met wie hij eveneens een gelukkig huwelijk had. In 1723 werd hij cantor aan de St. Thomaskerk te Leipzig. Hij kreeg daar een orkest van 8 beroepsmusici, het koor bestond uit 54 knapen. Met zijn ‘Collegium Musicum’ organiseerde hij concerten. In de 27 jaren dat Bach in Leipzig werkte, had hij vaak onenigheid met zijn werkgevers. In 1747 werd hij benoemd tot lid van de corresponderende Sociëteit der Muzikale Wetenschappen (Mizler-sociëteit). In hetzelfde jaar bezocht hij zijn zoon Carl Philip Emanuel in Potsdam, waar Friedrich II hem ontving en hem een thema ter hand stelde om erop te improviseren. Terug in Leipzig schreef Bach zijn Musikalische Opfer en zond dat aan de koning, wat hem de titel van ‘hofcomponist’ opleverde. Voorjaar 1749 werd Bach ziek, zijn ogen gingen sterk achteruit en hij werd nagenoeg blind. In 1950 gaf Wolfgang Schmieder een systematische lijst van de muzikale werken van J.S. Bach uit, het ‘Bach Werke Verzeichnis’: BWV.
Voornaamste werken: 6 Brandenburgse Concerten, 4 Orkestsuites, 8 concerten voor Cembalo, strijkorkest en basso continuo, Das musikalische Opfer, Das wohltemperierte Klavier I en II. Orgelmuziek: 6 triosonaten; preludia; fuga’s; toccata’s;fantasieën ens.
Vocale werken: Johannes Passion (1723), Matthäus Passion (1729), Magnificat (1723), Hohe Messe in h-moll (1733) en vele Cantates (zowel wereldlijk als geestelijk).

 

Weihnachtsoratorium  BWV 248 (1734)

 

Jauchzet, frohlocket, auf, preiset die Tage is geschreven voor Eerste Kerstdag.
Na een ferme inleiding door de pauken, roept het koor op tot jubelen en zang voor wat God voor de mens heeft bereid. Dit eerste deel van het oratorium beschrijft de tocht die Jozef en Maria naar Bethlehem maakten om te voldoen aan het gebod van Keizer Augustus dat een ieder naar zijn eigen stad moest gaan voor belastingheffing. Het recitatief en de dansante aria van de alt kondigen na het openingskoor verheugd de komst van Christus aan, die vervolgens in het koraal en de recitatieven beschreven wordt, met daarin vermeld het doel en het heil dat zijn komst over de aarde zal brengen. Met een krachtige en stralende aria bezingt de bas, begeleid door natuurtrompetten, hoe het belang van de komst van de brenger van al dit goeds in contrast staat tot de schamele ontvangst op aarde.

Und es waren Hirten in derselben Gegend is geschreven voor Tweede Kerstdag. De recitatieven, aria's en koorzangen vertellen vol vreugde van de engelen die de geboorte van Jezus aan de herders verkondigen. De cantate begint met een instrumentale pastorale (Sinfonia), de Hirtenmusik (de muziek van de herders), in een wiegende 12/8 maat, met de melancholieke klank van de oboe d'amore's en oboe da caccia's om het pastorale karakter te benadrukken. De sinfonia is in de stijl van de Italiaanse orkestpastorale[3] en vormt een brug tussen het expressieve eerste deel naar het intiemere tweede deel. De sinfonia is een dubbelkorig stuk waarbij de engelen (de strijkers en fluiten) met de herders (de hobo's) in dialoog zijn. Ook de tenoraria heeft door de begeleiding van fluiten een pastoraal karakter. Precies middenin deze cantate valt het koraal Schaut hin, dort liegt in finstern Stall. Dit koraal is een lage toonzetting geschreven om de nederigheid van de mens uit te drukken. Het pièce de résistance – misschien van het hele oratorium met zijn duur van ongeveer tien minuten - is de altaria Schlafe, mein liebster, genieße der Ruh, een wiegelied voor het Christuskind. Het koor Ehre sei Gott is met de Sinfonia één van de weinige speciaal voor het oratorium geschreven stukken. Ehre sei Gott is een soort concertant motet (dirksen), met de nadruk op veelstemmigheid en rijke harmoniek met vier hobo's voor de pastorale klank. In het slotkoraal Wir singen dir in deinem Heer gebruikt Bach dezelfde melodie als in Schaut hin, echter nu vijf tonen hoger om uiting te geven aan de stralende verheerlijking. In dit slotkoraal komt daarnaast ook de melodielijn van de Sinfonia weer terug.

Herrscher des Himmels, erhöre das Lallen is geschreven voor Derde Kerstdag.
Hierin wordt het bezoek van de herders aan Jezus beschreven. In deze cantate staat vooral de dankbaarheid centraal. Deel drie opent met een door pauken en natuurtrompetten begeleid koor, dat de koning van de hemel om verontschuldiging vraagt voor de, in vergelijking met de hemelse koren, stamelende tonen die als dank voor al het goede op aarde worden gezongen. Na het recitatief en het koor, wordt in het recitatief van de bas en het koraal opnieuw de dank bezongen voor alles wat God heeft gedaan. Sopraan en bas zingen vervolgens, begeleid door oboe d'amore's, in een dansant duet dat Gods mededogen ons troost en ons vrij maakt. Na het recitatief van de Evangelist bezingt de alt – de stemsoort als symbool voor Maria - in een milde, als wiegelied getoonzette aria en begeleid door een expressieve vioolsolo, hoe het goddelijk wonder in haar hart wordt gesloten. Het derde deel wordt afgesloten met een herhaling van het koor Herrscher des Himmels.

Fallt mit Danken, fallt mit loben is geschreven voor Nieuwjaarsdag.
Het gehele vierde deel geeft uiting aan het volgen van Christus. Het openingskoor roept op tot dank en lof. Dit openingskoor (Fallt mit Danken) is in 3/8-maat geschreven, als een zwierig menuet. Na de recitatieven van de Evangelist en die van de bas, gevolgd door een duet van sopraan en bas, zingt de sopraan de echo-aria Flößt mein Heiland. Deze aria is gecomponeerd als een Italiaanse giga. Het oorspronkelijke echo-spel uit de Herkules-cantate (BWV 213) is in het oratorium getransformeerd tot een dialoog tussen de gelovige ziel en de reddende Heer[3]. Deel vier is het meest op zichzelf staande deel van het oratorium: de toonsoort is F, er worden hoorns ingezet en in dit deel is de enige aria te vinden in de meer gebruikelijke 4/4-maat (Ich will nur dir zu Ehren leben), gecomponeerd als een 'ouderwetse' vierstemmige fuga met een gelijkwaardige partij voor tenor en instrumentale stemmen[3].

In 1734/1735 was er geen zondag tussen Kerst en Oud & Nieuw, maar wel een tussen Oud & Nieuw en Driekoningen. Ehre sei dir, Gott, gesungen werd gezongen op deze zondag na Nieuwjaarsdag. In deze cantate wordt het bezoek van de drie wijzen uit het oosten aan koning Herodes behandeld. De cantate vertelt over het licht dat de wijzen hebben gezien. Het vijfde deel opent met een nieuw gecomponeerd koor in snel tempo, dat oproept om Gods glorie te bezingen, en waarin de oboe d'amore's concerteren met de strijkers en alle instrumenten op hun beurt een dialoog aangaan met de zangers. Het recitatief van de Evangelist, het daarop volgende koor plus het recitatief van de alt en de rustig doorgaande aria van de bas bezingen het licht dat Christus heeft gebracht, gesymboliseerd door de ster die aan de wijzen verschijnt. Voordat dit deel wordt afgesloten door het recitatief van de alt en een koraal, worden in een terzet van sopraan, alt en tenor, begeleid door een soloviool, twijfels over wanneer de tijd van Christus' troost zal komen resoluut door de alt (=Maria) terzijde geschoven.

Herr, wenn die stolzen Feinde schnauben is geschreven voor Driekoningen en vertelt van het bezoek van de wijzen uit het oosten aan Jezus. In dit deel staat centraal dat de vijandelijke machten het Christuskind geen schade kunnen toebrengen. Bach maakte hier een koppeling naar het heden, door te stellen dat ook een gelovige, die zich onder Jezus’ bescherming stelt, veilig is.

In het openingskoor, een passepied, keren de pauken en trompetten uit deel één weer terug. Concertante delen worden afgewisseld met fuga's en canons. De 'stolzen Feinde (de harde dissonanten) worden overwonnen door het geloof (de stralende akkoorden en trompetfanfares). Deel zes is een muzikale synthese van het oratorium als geheel: het openingskoor in 3/8-maat, de dansante ¾-maat voor de sopraanaria Nur ein Winken von seinem Händen, de galante 2/4-maat in de bruisende tenoraria Nun mögt ihr stolzen Feinde schrecken en de traditionelere 4/4-maat voor het slotkoraal. Dit slotkoraal is een stralend concertant deel met een prominente trompetpartij, waarbij Bach de koraalmelodie Herzlich tut mich verlangen – ook gebruikt voor het eerste koraal van het oratorium – gebruikt. In deel één nog met een tekst die de verwachting van Christus' komt uitdrukt, hier de triomfantelijke overwinning van Christus op het kwaad[3].

Amadeuskoor

Solisten:


Caroline Stam - sopraan


Carina Vinke - alt


Henk Gunneman - Evangelist/tenor


Jan Willem van der Hagen - bas

Orkest: Ensemble Conservatoire   concertmeester: Rob Engels

Dirigent: Bert Lammers

Uitvoering



Zaterdag 22 december   aanvang 19.00 uur

Indeling uitvoering:

Cantate no. 1 Jauchzet frohlocket, auf preiset die Tage
Cantate no. 2 Und es waren Hirten in derselben Gegend

1e p a u z e       ( koffie)

Cantate no. 3 Herrscher des Himmels erhöre das Lallen
Cantate no. 4 Fallt mit Danken, fallt mit Loben

2e p a u z e      (Glühwein met plak Weihnachtsstoll)


Cantate no. 5 Ehre sei dir, Gott, gesungen
Cantate no. 6 Herr, wenn die stolzen Feinde schnauben

 

Pauluskerk 
Witte Valkenstraat 4
9411LG Beilen

Toegangsprijs: € 32,50 incl. 2 pauze consumpties

Kaarten verkrijgbaar bij:
Boekhandel "Het Logboek" Brinkstraat 49, 9411 KL Beilen

of per Email: Dit e-mailadres is beschermd tegen spambots. U heeft Javascript nodig om het te kunnen zien.

Het concert wordt mede mogelijk gemaakt door:


 


 

 

 

 

Laatst aangepast op vrijdag, 26 oktober 2018 16:53